Sloepen en Jachten
Vandaag de dag het het varen met een sloep erg populair geworden. Het biedt mensen de mogelijkheid om op een rustige ontspannen wijze met anderen op het water te zijn en daar te lounchen, relaxen, picknicken, cruisen of gewoon te varen.
Deze vorm van recreatie is niet nieuw. Reeds rond 1650 ontstond het Speeljacht, de stamvader van het spelevaren.
Het speeljacht kon ontstaan, dankzij de opbrengsten van onze rijke handelsvloot, die specerijen uit de Oost en West naar onze windstreken had gebracht. En spelevaren deden slechts de welgestelden van die dagen. Een speeljacht werd dan ook al spoedig geassocieerd met het drinken van wijn, het roken van tabak en het gezelschap van voorname dames. Met een trompetter op het voordek.
De naam jacht is het eerst gebruikt voor kleine lichte scheepjes die voor oorlogsdoeleinden werden gebruikt door prins Maurits op de Vlaamse kust. Deze snelle en wendbare schepen werden gebruikt om de grote en logge oorlogschepen aan te vallen op de ondiepe wateren aan de vlaamse kust. Na de Tachtigjarige oorlog ontwikkelde het zich tot een comfortabel vervoermiddel. In de 17e en 18e eeuw kwam het Statenjacht in gebruik, bedoeld voor het vervoer van hooggeplaatste personen, zoals leden van het landsbestuur of de Staten van Holland, en het overbrengen van berichten. Het bleef bij de marine in gebruik tot 1843. De schepen die door de burgers gebruikt werden voor recreatie werden speeljachten genoemd.
In de 18e eeuw werd het gebruikelijk om ook werkschepen die snel en mooi van vorm waren jacht te noemen, bijvoorbeeld het blokzeilderjacht. Ook werd ieder al bestaand scheepstype dat van een (grote) kajuit of paviljoen (achterkajuit) was voorzien als jacht benoemd. Zo ontstonden de namen als boeierjacht schokkerjacht en dergelijke.
Sloepen waren er dus al die tijd al. De Bakdekker die u kunt huren bij SoleiSailing is ontstaan in 1920. Dit type boot was tussen 1920 en 1940 erg populair bij de rijke burgers uit die tijd. Bij bakdekkruisers is het voordek verhoogd tot een zogenaamd bakdek. Hieronder bevindt zich meestal het 'woongedeelte': een kleine salon met slaapbanken en keukentje met voorin het toilet. Het achtergedeelte is dan open en voorzien van een zonnetent of vaste overkapping over de kuip. Voorin de kuip staat de motor.
Het kenmerk van deze schepen is gelegen in het feit dat er in het ontwerp bijzondere aandacht voor de zeeg is. Dit is "de bovenlijn van het dek, die naar voren en achteren op hoort te lopen, naar den voorsteven toe het meeste".
Behalve de zeeg wordt dit type schip gekenmerkt door een uitwaaiende boegvorm, de zogenaamde waaiersteven. Van voren gezien heeft een bakdekkruiser een sterke V-vorm. Deze vorm zorgt ervoor dat het schip gemakkelijk uit een golfdal rijst. Dit is noodzakelijk omdat de verhouding tussen de lengte en de breedte bij bakdekkers ook karakteristiek is. Bakdekkruisers van 8 à 9 meter lang zijn doorgaans slechts zo'n 2 meter 30 breed. In de huidige scheepsbouw zijn de schepen met zo'n lengte een stuk breder. Deze scherpte zorgt ervoor dat het schip gemakkelijk door de golven snijdt. De waaiersteven zorgt dan voor de noodzakelijke opwaartse lift.
Elisabeth Spits, concervator van het Scheepvaartmuseum Amsterdam heeft veel gepubliceerd over de Nederlandse jachten van de afgelopen 400 jaar.
|